Wetgeving - Historiek
Abortus is niet een typisch verschijnsel van de 20e eeuw, al zien we dat het aantal uitgevoerde abortussen de vorige eeuw heel sterk is toegenomen. Tot het interbellum (de tijd tussen de twee wereldoorlogen 1918-1939) was abortus in het westen onder invloed van het Romeins (keizerlijk) recht en het christendom bij wet verboden en dit bijna tweeduizend jaar lang. In andere samenlevingen en tijdens de Romeinse republiek (meer dan tweeduizend jaar geleden) was abortus wel aanvaard zoals ook het recht van de vader of de gemeenschap om te beslissen over het leven en dood van de pasgeborene.
In de 19e eeuw zagen onder een deel van de vrijzinnige intellectuele rijke burgerij (vooral in Engeland, de V S. en in Duitsland) nieuwe theorieën het licht van waaruit men abortus gerechtvaardigd achtte, nl. het neomalthusianisme en het sociaaldarwinisme.
Het neomalthusianisme baseert zich op de theorie van Malthus (1766-1834) dat de bevolking zich om de 25 jaar zou verdubbelen terwijl de bestaansmiddelen niet in die mate zouden toenemen en dat daarin de voornaamste oorzaak van de armoede zou liggen. Daarom ijver(d)en de neomalthusianisten voor geboortebeperking vooral onder de armere lagen van de bevolking omdat die het snelst in aantal toenemen. De middelen daartoe zijn: het verhogen van de huwelijksleeftijd, het bevorderen van de seksuele onthouding, maar ook het toepassen van anticonceptie en het toelaten van abortus.
De sociaal-darwinisten probe(e)r(d)en bepaalde principes van de evolutieleer van Darwin op de mensheid toe te passen, nl. de natuurlijke selectie en “the survival of the fittest”. De vooruitgang van de geneeskunde heeft volgens hen een keerzijde. Teveel zwakke exemplaren van de menselijke soort blijven in leven en kunnen hun minderwaardige erfelijke eigenschappen doorgeven aan het nageslacht. Dit zou leiden tot de algemene verzwakking van het menselijke ras. De mensen zouden ziekelijker, gebrekkiger en achterlijker worden. Daarom vinden zij dat de overheid eugenetische maatregelen moet nemen om te voorkomen dat het zover komt, meer nog, sommigen hopen dat ze door de eugenese toe te passen kunnen komen tot een rasveredeling (b v. in de 20e eeuw, Nazi-Duitsland). De meeste sociaal-darwinisten geloven dat de superieure erfelijke eigenschappen vooral te vinden zijn bij de blanken in de hoogste klassen en de inferieure eigenschappen bij de lagere klassen en onder andere rassen. Geboortebeperking waartoe ze ook gedwongen sterilisatie rekenen en abortus moet vooral gepropageerd worden bij de ‘inferieure lagen’ van de bevolking en bij andere rassen. Deze opvattingen zullen in een aantal landen tijdens het interbellum leiden tot de legalisatie van abortus.
| Legalisatie van abortus provocatus tijdens het interbellum | |||||
|
Medische redenen |
Psychologische redenen |
Eugenetische redenen |
Sociaal- economische redenen | ||
| Sovjet-Unie | 1920-1936 | totaal vrij | |||
| Sovjet-Unie | 1936 | + | - | + | - |
| Argentinië | 1921 | + | + | + | - |
| Joegoslavië | 1929 | + | - | - | - |
| Letland | 1932 | + | + | + | - |
| Polen | 1932 | + | + | - | - |
| Duitsland | 1933 | + | - | + | - |
| Catalonië | 1936 | + | + | + | + |
| Roemenië | 1937 | + | - | + | - |
| Zweden | 1938 | + | + | + | - |
| Denemarken | 1939 | + | + | + | - |
| Zwitserland | 1942 | + | - | - | - |
Door de industrialisatie aan het eind van de negentiende eeuw was de maatschappij behoorlijk veranderd. Het thuiswerk bestond bijna niet meer. Kinderarbeid was verboden en zes jaar leerplicht werd ingevoerd.
Daardoor veranderde ook de rol van vrouwen. Het moederschap, het opvoeden van de nieuwe generatie werd hun taak. En die moest meer gewaardeerd worden. Zij wilden zelf beslissingen over hun leven kunnen nemen. Ze wilden in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien. Onderwijs werd voor steeds meer vrouwen mogelijk. Vrouwen wilden gelijke rechten en net zoveel inspraak als mannen. Het feminisme ontstaat als een maatschappelijke en politieke stroming die de emancipatie van vrouwen wil verbeteren. Aan het eind van de 19e eeuw werd vooral gestreden voor het vrouwenkiesrecht.
In de nasleep van de tweede wereldoorlog bleef het een tijdje stil. Maar met de jaren zestig die hebben geleid tot een hele ommezwaai in het denken over verschillende onderwerpen komt er een tweede golf van landen die overgaan tot de legalisatie van abortus. Daartoe behoren o a. het Verenigd Koninkrijk (1967), de Verenigde Staten (1973), Frankrijk (1975), Nederland (1981) en België (1990). Nu worden niet in de eerste plaats eugenetische redenen aangehaald om abortus te rechtvaardigen maar wel feministische. De vrouw moet het recht hebben op abortus als zij dat wil. Ze is baas in eigen buik. Daarnaast speelt nog een tweede reden mee. Vanaf de jaren zestig geloven meer en meer mensen dat de seksualiteit in de eerste plaats een genotsmiddel is en dat die perfect kan beleefd worden los van maatschappelijke, procreatieve en zelfs relationele bekommernissen. Door de introductie van de pil in de jaren zestig is de beoefening van de vrije liefde of seks mogelijk. Maar wanneer de anticonceptie faalt, moet abortus nog altijd mogelijk zijn om te voorkomen dat een niet gepland kind wordt geboren.
